achtergrond_VVGilze_6.jpg

Jean-Marie Croix de la Montagne

Kinderen.

Degenen die mijn columns wel eens lezen hebben, weten dat ik als opa van 8 fantastische kleinkinderen door het leven ga. Ik heb er wel eens
over geschreven.  Nog niet zolang geleden beviel de dochter van een van  mijn vrienden van haar eerste kindje. Een bevalling met veel onvoorziene
complicaties. Het liep op het nippertje goed af. En nu, na enkele maanden, verkeren zowel moeder als kind in blakende gezondheid. Gelukkig!
Het zette mij wel weer eens aan het denken. Hoe de medische wereld in de loop van de tijd steeds meer (technische)mogelijkheden heeft gekregen om
levensbedreigende complicaties met succes het hoofd te bieden. Daarbij dacht ik ook terug aan mijn jonge jaren, bijna 50 jaar geleden:

Weeën wegpuffend bij ons tweede kindje dat zijn/haar komst had aangekondigd.

Zo lag mijn 24-jarige echtgenote in het kraambed van de plaatselijke kliniek.
Niet uit luxe, die kliniek. Neen.  Als gevolg van levensbedreigende complicaties na de geboorte van onze eerste dochter, vond de behandelende gynaecoloog het verstandiger om deze keer maar geen tweede thuisbevalling af te wachten.  Het werd dus de kliniek.

Argwaan kreeg ik niet toen, na uren puffen, allerlei apparatuur op rubberen wielen stilletjes naar binnen werd gereden door verpleegkundigen. Zichtbaar aanwezig, in steeds grotere getale. Schijfjes aan draadjes werden inwendig vastgeplakt, waarna in de witte ruimte plots geklop van een hartje weergalmde, als geroffel op een deur.  De techniek staat voor niets, dacht ik nog, denkend aan de thuisbevalling van onze eersteling. Niks geen techniek toen. Slechts een vriendelijke vroedvrouw,  puffen,  persen en warm water, veel warm water.

Het viel mij op, dat de gynaecoloog  wel erg veel zorg besteedde aan mijn puffende wederhelft. Op zich niet geheel verwonderlijk. Na de postnatale complicaties bij de eerste bevalling, stond mijn echtgenote in de jaren erna immers onder zijn voortdurende controle. Het komen en gaan van geïnteresseerde collega’s, die na bestudering van de door het apparaat uitgespuwde papieren strookjes, iets tegen hem fluisterden om vervolgens geruisloos van het kraamtoneel te verdwijnen, viel mij op. Maar ook niet meer dan dat.
Ik registreerde, maar zonder te zien.

“Of ik op de gang de dokter even zou kunnen komen helpen?”, vroeg een verpleegster mij vriendelijk.  Ik had niet eens gemerkt dat hij de kraamkamer had verlaten. Ik was geconcentreerd geweest op mijn echtgenote, die van al dat urenlange gehijg en gepuf stilaan behoorlijk vermoeid begon te geraken. “Maar natuurlijk”, antwoordde ik.  Een dokter moet je immers gaan helpen als hij daarom vraagt. Ik trof hem op de gang. Half leunend tegen een raamkozijn. Het zonlicht dat binnenviel trok  lichtstrepen op de granieten vloer.  “Het kind is niet goed”, viel hij, zonder verdere inleiding, met de deur in huis.  “Overlevingskansen nagenoeg nihil”, voegde hij er nog met zachte stem aan toe. 

De klap kwam hard bij me aan. Gedurende de laatste 7 maanden was er tijdens de zwangerschapscontrole niets, maar dan ook niets, geweest dat aanleiding tot zorg had kunnen geven.  “De beslissing is aan u”, vervolgde de gynaecoloog, “als het kind straks is geboren, wilt u het dan kunstmatig in leven houden, of zullen we de natuur haar loop laten?”

En dan,  plotsklaps, sta je 25 jaar jong, onvoorbereid,  voor een beslissing die zo onwerkelijk is, dat je hoopt in een horrordroom terecht gekomen te zijn . Dat het niet echt gebeurt. Dat het niet waar is. Niet waar kan zijn.

“Wat u ook besluit”, zei de gynaecoloog voor hij de kraamkamer weer binnenging, “het is, in verband met het verloop van de bevalling, het beste, dat uw vrouw nog niets weet van wat ik u zojuist heb verteld”. Zij dient zich voorlopig voor 100% te concentreren op de bevalling en heeft uw steun daar zeer bij nodig, de vervelende boodschap komt achteraf dan wel”. 

Ons kindje werd geboren en stierf na 2 dagen.

Jean-Marie Croix de la Montagne

 

Vorige edities:

11 Clubhelden

Kwart over elf in de avond. De telefoon gaat. 
Een redactielid van ons digitale clubblad ‘De DigiVoorzet ‘ aan de lijn. 
Of ik a.j.b. weer een column wil aanleveren. 
Deadline? Liefst gisteravond!

Nou, dat is lekker op tijd, is het eerste dat me te binnen schiet.
Tot ik me ineens realiseer,  dat er,  zo laat op de avond nog,  ergens iemand in
zijn vrije tijd met onze vv Gilze bezig is.

Ik herinner mij opeens de advertentie “CLUBHELDEN” die momenteel in de dagbladen 
loopt. Daarin worden clubs opgeroepen om een van hun vrijwilligers te nomineren.
Nog niet zo gemakkelijk als het lijkt, want uiteraard mag je niemand te kort doen.
Immers, ALLE vrijwilligers binnen een vereniging zijn belangrijk. Ieder radertje is nodig
om de zaak draaiende te houden.  Toen ik verder filosofeerde over clubhelden liet ik
in gedachten de werkzaamheden die bij vv Gilze gedaan worden eens de revue passeren.
Ik schrok ervan. Van hoeveel  werk dat allemaal is, bedoel ik.

Zonder de intentie te (kunnen) hebben om compleet te zijn (nog niet bij benadering!):

Wist u dat bij vv Gilze……

......wekelijks meer dan 200 vrijwilligers het mogelijk maken dat er elke week 
        op het sportpark gevoetbald kan worden?
…….leiders/trainers 2  keer per week  in hun vrije tijd trainen met hun team en op hun vrije zaterdag
       of zondag ook nog eens  bij de wedstrijd van hun team aanwezig zijn?
…… onze 12 kleedkamers,  hal, spelerstunnel en de  kantine  3 x per week schoongemaakt
        moeten worden?
…….wekelijks meer dan 250 trainings-/wedstrijdballen opgepompt en klaargelegd moeten
       zijn?
……..bijna dagelijks een onderhoudsploeg zijn best doet om ons sportpark en onze materialen
        in een zo optimaal mogelijke conditie te houden?
……..maandelijks door commissies vergaderd wordt om alles binnen de vereniging in goede
        banen te leiden/te houden?
……..diverse vrijwilligers wedstrijden fluiten? 
…….een complete ploeg bar- en keuken vrijwilligers iedere keer klaarstaat om de leden en gasten
        vriendelijk en professioneel van een natje en droogje te voorzien?
……..iedere week de voorraad voor keuken en kantine geïnventariseerd, besteld en aangevuld
        worden?
……..wekelijks de natuurgrasvelden belijnd moeten worden, goal-tjes verzet moeten worden,
         “kwijt” geschoten ballen gezocht worden?
……..een wedstrijd secretariaat bemand moet worden. Elke week!
……..wekelijks gasten ontvangen en begeleid worden. Er  dan thee/ranja gemaakt wordt
         die in de rust naar de kleedkamers gebracht moeten worden?
……..wekelijks voor meer dan 40 teams wasmoeders in de weer zijn met wassen en strijken van
         onze clubkleding? 
…..door bestuur en commissieleden avonden besteed worden aan vergaderingen, workshops,
     curssussen, KNVB bijeenkomsten?
……kleding en materialen nagekeken en eventueel hersteld moeten worden?
……wekelijks vertegenwoordigers van externe partijen en gemeentelijke overheid te woord
      gestaan worden? Nog los van vertegenwoordigers t.b.v. inkoop?
……met regelmaat contact is met andere gebruikers van ons sportpark?
……de kunstgrasvelden wekelijks geborsteld moeten worden?
……etc.
……etc.
……etc.

Daarom is het moeilijk om slechts EEN iemand te mogen nomineren voor de titel clubheld .
Voor mij zijn n.l.  alle vrijwilligers bij vv Gilze dat. CLUBHELDEN!

10 Treinreis

“We gaan op reis”, zei mijn vrouw toen ze terug kwam van boodschappen doen.
“En morgen al”, voegde ze er nogal dwingend aan toe, geen tegenspraak duldend.
“Morgen?, maar dan moet ik…….”  “Niks moet”, onderbrak mijn wederhelft, “we gaan morgen op reis. Punt. Uit! Trouwens, het zal wel moeten, want anders verloopt het!”  
“En niks moet, zeg je zelf”, dacht ik, maar was gelukkig slim genoeg om die gedachte niet hardop uit te spreken.

Wat was het geval. Tijdens het afrekenen in de supermarkt kwam mijn vrouw, stom toevallig, 
in haar portemonnee twee dagkaarten van de NS tegen, goed voor een dagje onbeperkt treinen door Nederland. Voor 2 personen. Die kaartjes had ze maanden geleden in een opwelling aangeschaft (voor, lekker goedkoop,  slechts 19 euro!) bij Het Kruidvat.  Tot haar schrik had ze in de winkel al wel gezien, dat de uiterste geldigheidsdatum van de kaartjes zo goed als was aangebroken. Vandaar het “morgen op reis”, dus.

Nu moet u weten dat mijn laatste treinreis dateerde uit de tijd dat er nog dienstplicht bestond.
Een keer in de 6 weken werden wij, dienstplichtigen, in het weekend per bus van onze bases in Duitsland vervoerd naar het station van Enschede, waarvandaan we per trein uitwaaierden naar onze respectievelijke woonplaatsen in het land. Ondergetekende was van lichting 66/1.  Voor de onwetenden onder u, dat betekent: opgekomen voor militaire dienstplicht in januari 1966.  De rekenaars onder u komen dan al snel uit op 51 jaar geleden. Er reden volgens mij toen net geen stoomlocomotieven meer.  

51 jaar geleden mijn laatste treinreis maakte, dat de gehele ontwikkeling van conducteur met kniptang, bemande lokketten in NS stations naar het invoeren van OV-jaarkaarten compleet aan mij voorbij was gegaan. Laat staan het elektronisch in- en uitchecken.  Mijn enthousiasme voor een dagje treinen was dus niet heel groot. Maar goed, moeders wil is wet. De volgende morgen was ik al om 06:30 uit de veren. Als we dan toch een dagje gingen treinen samen, dan ook maar ten volle van dit “buitenkansje” profiteren.

Mijn lieve wederhelft draaide zich echter nog eens lekker om. “Hey, moet je er niet uit, we moeten naar het station!?”, probeerde ik haar aan te sporen.  “Niet zo jagen, jongen”, mompelde ze, “we mogen toch pas na 11:00 vertrekken”. 
Vier uur naar een voort tikkende klok staren duurt lang, maar eindelijk zaten we in de auto naar het station op de Rije(n).  Daar kun je n.l. nog gratis parkeren!
Voorbereid op de reis hadden we ons niet. Alleen de eerste eindbestemming stond vast: Haarlem.  En dat omwille van de enige reden dat wij daar beiden nog nooit geweest waren.

Na wat ge-frut met ons kaartje bij het incheckpaaltje klonk er een piepje en kon de reis beginnen. En verdomd, precies op de tijd die aangegeven stond op de gele informatieborden (het enige dat, volgens mij,  in al die jaren niet veranderd lijkt te zijn) rolde de trein naar Breda het station binnen.  Nog een vooroordeel naar de knoppen; de trein was zo goed als leeg. We hadden de zitplaatsen voor het uitzoeken.  Breda idem dito, onze trein richting Amsterdam CS stond al klaar. Achteraf was dat een eerdere trein met 33 minuten vertraging, maar daar hadden wij geen last van. En, wederom, volop plaats. Via de omroepinstallatie kregen we te horen dat we niet via de HSL lijn maar over het reguliere spoor naar Amsterdam zouden vertrekken vanwege een kapot treinstel op de route voor ons. Welke mededeling reeds 10 seconden daarna weer werd ingetrokken. Via Amsterdam CS zijn we uiteindelijk in Haarlem  terecht gekomen.

Waar we, het was ruim 28 graden die dag, meteen maar een terras op de Grote Markt hebben opgezocht.  Al na 2 consumpties kregen we lekkere trek, dus soepje en een salade besteld. Daarna bierbrouwerij Jopen in de Jopenkerk bezocht.  Daar uiteraard een Mooie Nel en een Hysm geproefd. En wat is een biertje nu zonder kaas en bitterballen?
Overmoedig geworden besloten we de trein van Haarlem naar Zandvoort aan Zee te nemen.

Inmiddels hadden we tropische temperaturen, dus op het strand aangekomen snel een strandpaviljoen opgezocht om onder een schaduw gevende parasol plaats te kunnen nemen.
Wat we wilden drinken? Doet u maar twee trappistjes mevrouw. Dank u wel. 
Maar in zo’n hitte, het kwik was inmiddels boven de 30 graden gestegen, verdampt zo’n glas waar je bij zit. Dus: Vinger omhoog. Daarna twee.  Begrijpend knikje uit de verte en binnen 3 minuten waren de glazen weer gevuld. Dat smaakt. Bakje met nootjes erbij, zee in de verte, wie doet je wat.

 “Wat doen we?” vroeg ik, “blijven we hier of gaan we weer verder?”
“Leiden”, antwoorde mijn vrouw en zo togen we weer naar het station om via Haarlem door te reizen.  In Leiden aangekomen zijn we niet verder gekomen dat het eerste de beste, in onze ogen leuke, terras.  Het was er goed druk, vol opgewekte, lachende studenten. 
Bieraanbieding van de week: OMER, een heerlijk Belgisch trippel biertje dat ik ook regelmatig in The Banner drink.  Op een been kun wel je staan, maar niet gaan en bovendien verdampte ook hier het bier weer waar je bijzat, dus een tweede was snel besteld.
We waren immers op reis! 
Zo langzamerhand was het etenstijd geworden. We kozen een paar mooie gerechten van de kaart en bestelden er een droge witte wijn bij.  Na een tijdje natafelen, het werd al donker, besloten we de terugreis te aanvaarden. Via Leiden, Rotterdam, Breda terug naar de Rije(n).
In nagenoeg lege treinen, lekker koel geblazen door de airco.  En de gehele dag geen conducteur gezien. Alleen zijn fluitje gehoord. In de verte!


Jean Marie Croix de la Montagne